Stroomdal Drentsche Aa

Stroomdal Drentsche Aa
een bekende boom

dinsdag 5 november 2019


Luister goed in het donker naar dit gedicht, dan raad je alle vogels licht

1          Hij tikt op ramen met zijn bek
Je denkt misschien wel, dat is gek
Vraagt hij soms aan jou een broodkorst
Die eigenwijze ……….

2          Zijn jongen draagt hij op zijn rug            
Als hij je ziet dan duikt hij vliegensvlug
Onder en wel meer dan een minuut
Dat moet dus zijn de ………..

3          Golvend zweeft hij over ’t riet
En een mals hapje versmaadt hij niet
Elk vogeltje hoe klein ook is me lief
Toch heb ‘k geen hekel aan de …………..

4          Er is een vogel die leeft in zonde
Niemand heeft nog ooit zijn nest gevonden
Ik vind het niet, hoelang ‘k ook zoek
Dat moet wel zijn de  ……..

5          Ik zie een vogel en denk: zie daar de tjiftjaf
Dan hoor ik zijn roep en ik sta paf
Ik weet nu, dat het de tjiftjaf niet is
Het is zijn evenbeeld, de ………………….

6          Hij kwam van onze zuiderburen
Naar hem kijken kan ‘k wel uren
Maar wat hij doet is vaak niet fraai
We noemen hem gewoon de………….

7          Er zit een vogel op het dak
Hij draagt een zwartgrijs verenpak
Het is geen raaf of kraai, wat is het nou?
De deugniet is een  …………

8          Van onder bruin met witte vlekken
Komt soms langs ons dorpje trekken
Je ziet hem ’s winters hier steeds vaker
Uit het noorden komt de ……….

9          Je ziet hem lopen in ’t moeras
Of met zijn snavel in een plas
Dan denk je steeds wat doet hij daar
Dat is tot slot de ………..


donderdag 23 juni 2016

Elke maand schrijf ik een stukje over de natuur in de dorpskrant van Roderwolde. In twee afleveringen uit 2014, die ik hieronder achter elkaar heb gezet het verhaal over de dasjes van Okkenveen:

Natuur in De Onlanden                   Wil Schröder
Het is winter en behalve de tuinvogels die regelmatig de voederhuisjes e.d. bezoeken en de ganzen in de landerijen rondom het dorp, is het rustig in de natuur. Ik maak daarom van de gelegenheid gebruik om de komende twee afleveringen aandacht te besteden aan een dier dat rondom Roderwolde (nog?) niet te vinden is, nl.  de das.
Dit verhaal gaat dus over de das, die, zolang er nog geen wolven in ons land rondlopen, het grootste (land)roofdier van Nederland genoemd wordt. Roofdier is wel een groot woord voor een zeer schuw dier, dat voornamelijk leeft van regenwormen, larven, kevers, insecten, mais, fruit en af en toe een slak, een vogelei of een jonge egel. Met die grootte valt het ook wel mee, al kan een volwassen mannetje wel een meter lang kan worden en dan wel zo’n 18 kilo wegen. De vrouwtjes zijn meestal iets minder zwaar, hebben een wat smallere kop en de staart is vaak meer een pluim, een follow-me signaal voor de jongen. 

Vrijwel iedereen kent wel de markante kop van een das, wit met zwarte strepen van oor tot neus. Toch zijn er maar weinigen, die wel eens een das in het echt hebben gezien en dan helaas nog vaak een dode, meestal een verkeersslachtoffer.  Toch gaat het relatief goed met de dassen in ons land. Na een dieptepunt in de jaren ’60 van de vorige eeuw, toen als gevolg van verstedelijking, ruilverkaveling e.d. het leefgebied van de dassen aanzienlijk was afgenomen en
Volwassen das (foto Aaldrik Pot)                      

bovendien veel dassen het slachtoffer werden van stroperij en gifgebruik in de landbouw, is hun aantal de laatste decennia weer aanzienlijk toegenomen. Dankzij beschermende wetgeving en maatregelen om de passage van verkeerswegen door middel van rasters en tunnels veiliger te maken, zijn er momenteel naar schatting weer ruim 5000 dassen in Nederland, waarvan meer dan 600 in Drenthe.
De vereniging  “Das en Boom”, die zich al jaren sterk maakt voor de bescherming van de das, heeft een belangrijk aandeel gehad in het herstel van de populatie.
Dassen zijn zeer schuw en komen vrijwel uitsluitend ’s avonds of ’s nachts uit hun hol (burcht) tevoorschijn. Dassen hebben slechte ogen, maar hun gehoor en vooral hun reuk is uitstekend. Ze zijn zeer alert op onraad en elk ongewoon geluid of onbekende geur is aanleiding om onmiddellijk weer in de burcht te verdwijnen en zich niet meer bovengronds te vertonen. De nachtelijke voedselstrooptocht wordt dan opgeschort.

De Drentse dassenwerkgroep, o.l.v. SBB boswachter Pauline Arends en dassenkenner Lex Duif, organiseert ieder jaar een dassentelling in Midden-Drenthe. Een grote groep vrijwilligers gaat op een avond in de maand mei, als de jonge dassen met hun ouders naar buiten komen, posten bij de diverse bekende burchten om te inventariseren hoeveel dassen er zitten en hoeveel jongen er geboren zijn.          Dassenburcht met grote zandhopen

Boswachter Aaldrik Pot organiseert zijn telling in Noord-Drenthe.                               
Dassen zijn sociale dieren en wonen soms met meerdere “gezinnen” in een burcht. Sommige burchten zijn al jaren oud en worden al generaties lang door dassenfamilies  bewoond.
Dassen zijn echte gravers en een dassenburcht is goed te herkennen aan de grote hopen zand voor de pijpen, soms wel meerdere kubieke meters. Dassen onderhouden hun woning goed. Een bewoonde burcht is herkenbaar aan verse graafsporen en in het voorjaar aan resten van nestmateriaal (hooi, blad, mos) dat door de moederdas naar de burcht wordt gesleept en regelmatig wordt ververst.
Bij de voortplanting van dassen doet zich een merkwaardig fenomeen voor. Een vrouwtjesdas kan na de zoogperiode van haar jongen (ca. eind mei) de gehele rest van het jaar bevrucht worden, eventueel zelfs door verschillende mannetjes.  De bevruchte eicellen blijven echter in een bepaalde ruststand en komen nog niet tot ontwikkeling. Pas in deze tijd (december) beginnen de embryo’s zich te ontwikkelen, onafhankelijk van het moment waarop ze verwekt zijn.
Eind februari worden de jongen dan geboren, zodat ze in de meest gunstige tijd van het jaar (temperatuur, voedsel) namelijk begin mei, voor het eerst naar buiten komen
   Lia met een dassenjong van ca. 12 wkn oud.

Helaas worden (vooral in het zuiden van het land) nog steeds dassenburchten vernietigd of beschadigd en worden dassen gestroopt of vergiftigd. Gelukkig is, dankzij de wettelijke bescherming die de das en ook zijn leefomgeving geniet, dit verwerpelijke gedrag sterk afgenomen, maar het vindt helaas nog steeds plaats. Vroeger werd er op dassen gejaagd, omdat men ze als schadelijk beschouwde en er producten werden gemaakt van bijvoorbeeld hun haren (o.a. scheerkwasten). Men ving zelfs dassen om ze met honden te laten vechten. Van de dassen werden dan wel eerst de tanden verwijderd, omdat ze anders vrijwel altijd de honden de baas waren. In Groot-Brittannië zijn dassen momenteel vogelvrij, omdat men ze (onterecht) verdenkt van het overbrengen van (vee)ziekten.
Er komen veel dassen om als gevolg van aanrijdingen door auto’s;  zo’n 10 tot 15 procent van dassenpopulatie komt om in het verkeer. Als dat om een zogend vrouwtje gaat, is dat extra rampzalig, omdat dan meestal ook de jongen, die te jong zijn om zelf voedsel te vergaren, omkomen. Op 6 mei van dit jaar werd er een moederdas doodgereden op de A28 bij Tynaarlo. Omdat wij o.a. door middel van een nachtcamera de burcht van deze das voortdurend controleren, wisten we dat het om een zogend vrouwtje ging met maar liefst 5 jongen, een uniek aantal. Een das krijgt meestal 3 à 4 jongen per jaar, heel soms 4. Vijf jongen in één worp is dus heel bijzonder. Ondanks pogingen om de jongen, die naar schatting zo’n 10 à 12 weken oud waren, bij te voeren, ging hun conditie steeds verder achteruit.
 
Vijf (!) jonge dasjes op zoek naar hun onmisbare moeder. 
Het speciale voer (rechts) was niet toereikend


In overleg met de vereniging Das en Boom is er na 10 dagen een ervaren vanger uit Limburg naar Tynaarlo gekomen, die een nacht lang bezig is geweest om de verweesde dasjes te redden. Na de vangst van vier dasjes (de vijfde heeft hij helaas niet te pakken kunnen krijgen) heeft hij ze naar het opvangcentrum in Beek-Ubbergen (bij Nijmegen) gebracht. Daar werden ze door vrijwilligers liefdevol verzorgd. Ondertussen zijn ze gezond en volledig op hun normale gewicht en zijn ze eind augustus weer uitgezet.
 
De vier jonge dasjes in de opvang van Das en Boom

Zo’n uitzetting vindt plaats in een speciale ren met een (kunst-)burcht in Noord-Brabant. De dassen moeten namelijk geleidelijk leren voor zichzelf te zorgen. Nadat ze een aantal maanden worden (bij)gevoerd, waarbij ze steeds meer moeten zoeken naar het voedsel, wordt de ren opengezet om ze de mogelijkheid te bieden in een groter gebied hun voedsel te verzamelen en op den duur hun eigen plek te vinden. De ervaring leert dat de uitgezette dassen, die maandenlang overdag zijn verzorgd en gevoerd, al na enkele dagen weer hun nachtritme aannemen en zich overdag niet meer bovengronds vertonen.
Het is jammer dat deze Drentse dasjes niet weer in onze regio konden worden uitgezet, maar de aanleg van een uitzetren en de eerste maanden van het afbouwen van de verzorging is een kostbare zaak en in Brabant is een ren en verzorging beschikbaar. Het voordeel is dat er in Brabant nieuw (Drents) bloed in de populatie komt. We hopen dat “onze” burcht binnenkort weer nieuwe bewoners krijgt.
Wil je meer horen over dassen e.d.? Ik geef er graag een lezing over met plaatjes en filmpjes.

    Eén van de gevangen weesjes

                                                      




zaterdag 2 februari 2013


Dierenleed
Het zijn niet altijd vrolijke schouwspelen die je in de natuur kunt waarnemen.  Zeker niet in een koude winterperiode met strenge vorst en sneeuw. Toen op maandag 28 januari de dooi volledig was ingetreden, maakte ik een lange wandeling door de Onlanden. In de weilanden tussen de Hooiweg en Sandebuur zaten duizenden ganzen die zich te goed deden aan het gras dat weer onder de sneeuw vandaan was gekomen. Ik liep vanaf het gemaaltje langs de sloot in de richting van het kerkhof, toen ik een lugubere vondst deed. Langs de slootkant achter het kerkhof lag een dode ree die volledig uitgevreten was, waarschijnlijk door een vos. Achteraf bedacht ik, dat ik van de plek ook een buizerd had zien opvliegen, dus die zal ook zijn hongerige maag wel gevuld hebben met het rijke aanbod van vers vlees.

Het zag er nogal luguber uit met het uitgeholde lijf, waarin alleen nog het hart lag.
Even later vond ik achter op het kerkhof nog een dode ree, nu geheel intact en waarschijnlijk nog geen jaar oud. Ik vermoed dat het een jong geweest is van het andere slachtoffer, dat in de buurt van de dode moeder is gebleven en bij gebrek aan bescherming van de roede, de kou  niet heeft overleefd.




Toen ik  met een vriend vier dagen later nog eens naar de kadavers wilde gaan kijken, waren ze beide verdwenen. Van de jonge ree vonden we geen sporen, maar de aangevreten ree was over de sloot de ruigte in gesleept en vrijwel volledig geconsumeerd. Behalve haren lagen er alleen nog de kaalgevreten schedel, de ruggegraat en de botten van een poot. Onvoorstelbaar dat het dier in nog geen week vrijwel volledig was “opgeruimd”.

maandag 12 november 2012


HERFST IN DE ONLANDEN         

Het is volop herfst in de natuur en dan denken we behalve aan vallende bladeren, vooral aan paddenstoelen. Overigens zie ik overal weer de bladverzamelplekken. Realiseer men zich wel, dat je met het verwijderen van het blad, de kringloop van voedingsstoffen verbreekt? Bovendien is het blad in borders en slootkanten een ideale plek voor allerlei organismen en dieren om de winter door te komen. Veel vogels, maar ook egels en andere zoogdieren vinden daar op hun beurt in de winter hun voedsel, dus waarom laten we die bladeren niet gewoon liggen?
                                                                      bladerverzamelbakken langs de straat

Maar goed, ik wilde het over paddenstoelen hebben. Je kunt ze op verschillende manieren indelen, maar ik zal me beperken tot hun functie.
Daarbij onderscheiden we drie typen:
De Saprofyten, die dood organisch materiaal afbreken (dus ook de dode bladeren!).  
Zij hebben een heel belangrijke functie in de voedselkringloop. Meer dan 90 procent van de afbraak van de organische reststoffen gebeurt door paddenstoelen en andere schimmels. Zonder hen zou een bos in zijn eigen afval omkomen. Veel paddenstoelen in tuinen en bermen behoren tot deze categorie, zoals de champignon, ridderzwam, zwavelkopje, berkenzwam, grote stinkzwam, oesterzwam en de gele aardappelbovist (stuifzwam).

                                                                                         Plooivoetstuifzwam

Naast deze opruimers van dood materiaal zijn er de zgn. Parasieten, die levende organismen (vaak bomen) aantasten. De bomen worden ziek en leggen het loodje. Veel van deze parasieten worden dan saprofyten en breken het dode hout verder af.
Voorbeelden daarvan zijn de tonderzwam, berkenzwam en geschubde bundelzwam
                                                                         Geschubde bundelzwam in een beuk 

Een derde groep wordt gevormd door de mycorrhiza-paddenstoelen of  Symbioten.
Deze soort gaat een samenwerkingsverband (symbiose) aan met een boomsoort.
Door zich aan de wortels van bomen te hechten onttrekken ze suikers aan de bomen. In ruil daarvoor leveren zij aan de bomen andere voedingsstoffen (o.a. fosfor), die zij met hun fijne worteldraden (mycelium) veel beter kunnen opnemen dan de bomen.
Bekende voorbeelden van symbioten zijn:
het eekhoorntjesbrood, de beukenrussula, de kastanjeboleet, vliegenzwam en de berkenboleet.
Veel symbioten werken samen met een bepaalde boomsoort, zoals hun naam vaak al verraad.
Door middel van de namen van paddenstoelen kun je er vaak al veel over te weten komen.
Wat zou je bijvoorbeeld denken van de eetbaarheid van de braakrussula?
De inktzwam en stinkzwam klinken ook niet erg aantrekkelijk, maar toch zijn deze, als ze jong zijn, goed eetbaar. Als een stinkzwam nog verkeert in het stadium van een gesloten bol, wordt hij heksenei genoemd en die schijnt goed eetbaar te zijn.
                                                                        Opengesneden heksenei (stinkzwam)

Overigens moet ik je afraden om zelf geplukte paddenstoelen te eten, vooral als je er weinig kennis van hebt. Ook al zijn  er maar weinig paddenstoelen echt levensgevaarlijk, er zijn veel soorten die gemakkelijk met eetbare soorten worden verwisseld, waar je wel behoorlijk ziek van kunt worden. Er naar kijken en ze fotograferen is ook genieten!

           

woensdag 17 oktober 2012

De Kleibosch


Al in de Middeleeuwen stond De Kleibosch in de belangstelling, destijds van de monniken van het Cisterciënzer klooster van Aduard. Die belangstelling had te maken met de bodem van het gebied, waar de potklei op veel plaatsen vrijwel aan de oppervlakte komt.

Potklei is een afzetting uit de periode van de ijstijden (tussen 100.000 en 10.000 jaar geleden), bestaande uit de kleinste kleideeltjes, die afgezet zijn in smeltwater-meren van het landijs. Vrijwel stilstaand water dus, waar het fijne slib kon bezinken. Die taaie potklei was zeer geschikt voor het bakken van stenen (kloostermoppen) en andere bouwmaterialen (tichels).
De boerderij Tichelwerk, die waarschijnlijk al eeuwen geleden in zijn huidige vorm is gebouwd en eind jaren tachtig door de stichting Het Drentsche Landschap geheel is gerestaureerd, is ooit gebouwd op de plek waar al vele eeuwen stenen werden gebakken. In het bos zijn de putten (kleidobben), waaruit de klei werd gedolven, nog goed te herkennen. Ook de sporen van een kanaaltje waarlangs de klei werd afgevoerd, is nog goed herkenbaar.
Behalve aan stenenbakkers heeft de potklei ook veel te bieden aan de natuur. Er zijn vele planten die afhankelijk zijn van deze bodem. Hiertoe behoren o.a. een aantal zeldzame soorten, zoals  de wilde bosaardbei, het heelkruid en de welriekende agrimonie.
heelkruid
welriekende agrimonie
Behalve de typisch van potklei afhankelijke soorten komen er honderden prachtige bloemen en planten voor, waaronder een groot aantal die op de zgn. rode lijst staan, d.w.z. officieel beschermd zijn. Dat geldt ook voor een aantal van de ruim honderd soorten paddenstoelen die in het gebied te vinden zijn. In het vroege voorjaar is de bodem van het bos bedekt met een aantal vroegbloeiers, vooral de bosanemoon.

Een grote diversiteit aan planten levert ook een grote variëteit aan dieren op, die op hun beurt weer predators (bijv. roofvogels) aantrekken. Kortom, een uniek stukje natuur, waar we dankzij een wandelroute in het gebied volop van kunnen genieten. Het Drentsche Landschap, eigenaar van het gebied, organiseert regelmatig excursies in het gebied. Kijk daarvoor maar eens op de site: www.drentslandschap.nl .

donderdag 28 juni 2012

De Geoorde Fuut
Op 16 juni waren we, in het kader van onze cursus Natuur en Landschap in Noordenveld, op excursie in het Drentsche Aa gebied. Dat was weliswaar buiten ons doelgebied, maar we waren op zoek naar wilde bijen en andere insecten met Anne Jan Loonstra. In het Siepelveen (achter de zandverstuiving in Zeegse) zagen we een bijzondere soort watervogel, nl de geoorde fuut. Zoals je ook bij de gewone fuut vaak ziet, kruipen de jongen vaak op de rug van een van de ouders. In het Siepelveen zwom het mannetje van de Geoorde Fuut met 2 jongen op zijn rug, gevolgd door de moeder. Het was goed te zien dat de jonge futen deze comfortabele positie uitstekend beviel.


Het Groot Waal 
In dit bericht zou ik wat aandacht willen besteden aan het Groot Waal in de Onlanden.
Weinigen zullen wel eens een kijkje hebben genomen in dat geheimzinnige stukje bos, dat ondertussen een onderdeel vormt van de waterberging.
Allereerst de naam. Met een waal wordt wel een poel of  kolk aangeduid, ook wel wiel genoemd. Waarschijnlijk heeft het bewuste gebiedje ook inderdaad zijn ontstaan te danken aan zo’n uitgespoelde kolk van het nabije Peizerdiep. Bekend is dat het water in Het Groot Waal van een kwelstroom afkomstig is en daarmee zou dus het ontstaan als kolk van het Peizerdiep niet perse nodig zijn. Wellicht is het een combinatie van beide.
Het Groot Waal is, evenals het Klein Waal, een zgn. elzenbroekbos, een moerassige veenbodem met voornamelijk elzen en berken met een ondergroei van mossen, varens en zeggesoorten.

Bij de aanleg van de waterberging was een kade gepland, die noodgedwongen gedeeltelijk door Het Groot Waal zou lopen. Hiervoor moesten bomen gerooid worden en een groot deel van dit kleine reservaat zou met een aanzienlijk hogere waterstand te maken kunnen krijgen.
Een aantal bewoners van Roderwolde heeft hiertegen en tegen de peilverhoging in het Groot Waal, bezwaar gemaakt. Men is bang dat de bomen te lang in het water komen te staan en daardoor massaal dood gaan. Voor het IVN geldt dat de habitat van het Zeggekorfslakje zal worden bedreigd, een soort die vrij zeldzaam is in Nederland.
Vanwege de zeldzaamheid is de Zeggekorfslak een doelsoort voor het Natura 2000-gebied: het Leekstermeer-gebied. Het in goede staat houden van de elzenbroekbossen zou een belangrijke beheermaatregel voor deze soort in het gebied moeten worden. Helaas zijn de Elzenbroekbossen in het Leekstermeergebied niet als zodanig erkend.

De dijk aan de westkant van het bos is smaller aangelegd dan oorspronkelijk het plan was. Hierdoor zijn de bomen, die dreigden geofferd te worden, gespaard. Om het bos heen is een zomerdijk gekomen, die ervoor zorgt  dat de bomen ’s zomers genoeg droog staan om in leven te blijven. Bij extreem hoge waterstanden kan het bos volstromen en zo fungeren als waterberging. Het overtollige water kan via een handmatig bediende uitlaatklep weer afvloeien, zodra de waterstand buiten het bos dat toelaat. Bij langdurige droogte kan juist water uit het omliggende gebied in het bos gelaten worden. Het bos vernat dus wel, maar niet te veel of te lang. Deze aanpassing is gunstig voor het gebied, want door toenemende verdroging is momenteel in meer dan de helft van het Groot Waal de zeggenondergroei vervangen door Zwarte Bes en allerlei ongewenste planten als Brandnetel en Braam. Tegengaan van verdroging staat daarom als beheermaatregel opgenomen in het Conceptbeheerplan

Volgers